Home What do we offer ? Contact Video

TRAININGS

7/11/2012 - Bad Pharma – Ben Goldacre

Bad Pharma van Ben Goldacre slaat in als een bom en zeker in de UK woedt het debat. Hij laat geen spaander heel van het onderzoek naar geneesmiddelen en schopt meteen de overheid, de academische wereld, de wetenschappelijke tijdschriften, de navorming en het merendeel van de artsen mee in de verdomhoek. Hij is uit op een volledige ‘purge’ van de sector.

Je kan het boek lezen als een litanie van – al dan niet herkauwde – schandalen. Of je kan het lezen als een recept om wat krom is recht te trekken.

Maar lukt Goldacre daar wel in? Reikt hij wel de juiste recepten aan?


Bij lezen van Bad Pharma dacht ik aan twee parallelle verhalen:

  • Peter Hinssen’s ‘The Tiger and the Rock’ (tijdens zijn recente TedEX presentatie) en
  • het USADA rapport (dat ertoe leidde dat de zeven Tourzeges werden afgepakt van Lance Armstrong, zonder dat een andere overwinnaar werd genoemd).
 

The Tiger and the Rock
Hinssen bracht zijn boeiende TedEx presentatie 'The Deep Future of Healthcare' onder de titel
The Tiger and the Rock. Hij toont vanaf minuut 11 een tekening van een tijger. Hij liet de toehoorders daarbij proefondervindelijk ervaren dat we in onze cultuur steeds focussen op het probleem (de tijger, die centraal op de voorgrond staat), terwijl we de context (de rots op de achtergrond) te weinig zien.

Je kan Bad Pharma ook op twee manieren lezen: ruim 400 pagina’s gaan over alles wat de afgelopen decennia volgens Ben Goldacre is misgegaan in de geneesmiddelensector. Het artikel 'Slecht getest op mensen' van 20 oktober jl. in de Standaard focust ook uitsluitend op de haast eindeloze litanie van schandaalverhalen en problemen. De Standaard laat daarbij de klassieke protagonisten aan het woord (Leo Neels, Patrick Van Krunkelsven en Dirk Van Duppen), die zeer voorspelbaar reageren. (De complete reactie van Leo Neels volgt eveneens achteraan).

Je kan Bad Pharma echter ook op een tweede manier lezen: niet ‘probleemgericht’, maar ‘oplossingsgericht’. Je kan in het boek immers ook op zoek gaan naar de nauwelijks 50 pagina’s waarin Goldacre recepten aanreikt om de problemen op te lossen. Een aantal hoofdstukken worden afgerond met concrete tips die je als patiënt (of arts/apotheker) zou kunnen toepassen om de misstanden te corrigeren. Ik heb mijn favoriete 'Top 10' van goede ideeën in een kadertje achteraan verzameld).

Het loont echt de moeite om het boek eens selectief door die laatste bril te lezen en je dan de vraag te stellen of de voorgestelde remedies zinvol, realistisch en haalbaar zijn. Kijk even weg van ‘the tiger’, focus op ‘the rock’ en stel je dan de vraag of Goldacre wel de juiste oplossingen aanreikt.


Zeven Rondes zonder overwinnaar
Goldacre laat in zijn vlijmscherpe analyse geen spaander heel van ‘big, bad pharma’. Hij pleit voor een onmiddellijke, onvoorwaardelijke en grondige opkuis, waarbij men ook het hele verleden moet omspitten. Alleen ‘van nu af aan’ proper werken, haalt volgens hem niets uit, want de hele geneeskunde van vandaag is gebaseerd op wetenschappelijke bevindingen die al decennialang scheefgegroeid zijn.

Is een dergelijke ‘purge’ realistisch en haalbaar? De grondige opkuis die het USADA rapport heeft veroorzaakt, waarbij de dopingpraktijken in de hele US Postal ploeg van Lance Armstrong schaamteloos en onweerlegbaar werden blootgelegd, was tot voor kort even onvoorstelbaar en ondenkbaar als wat Goldacre voorstelt voor de geneesmiddelensector. Uit het eindklassement van zeven Rondes van Frankrijk de absolute kampioen en in feite ook zowat driekwart van de andere leiders schrappen, leekt tot voor kort onrealistisch. De gevolgen voor de sponsoring en voor het businessmodel van dit sportevenement en de hele sporttak zijn overigens nog lang niet duidelijk.

Uiteraard kan je de wielersport niet vergelijken met de geneesmiddelensector, maar toch is bewezen dat het mogelijk is ‘to think the unthinkable’. Er gaapt in de geneesmiddelensector nog een brede kloof tussen wie ontkent of relativeert en wie ten gronde wil werken aan een volledig uitzuivering.

Het schoentje knelt aan alle kanten
In Bad Pharma wijst Goldacre met een beschuldigende vinger naar alle betrokkenen. Hij gaat veel verder dan alleen de industrie met alle zonden van Israël te overladen: in het wetenschappelijk onderzoek ontbreken gegevens, de overheid werkt onvoldoende transparant, de academische wereld verkoopt zijn ziel en zijn geloofwaardigheid aan de bedrijven die het onderzoek financieren, wetenschappelijke tijdschriften zijn evenzeer te veel financieel afhankelijk, net als veel voorschrijvers en andere zorgverstrekkers, die voor hun informatie en opleiding ook teveel rekenen op farmaceutische bedrijven.

‘Bad Pharma’ is dus lang niet de enige schuldige, maar is volgens Goldacre wel de economische motor achter alles wat fout gaat. Juist daarom klinken de oplossingen die hij aanreikt mij naïef en onhaalbaar in de oren en graaft hij onvoldoende diep naar de onderliggende oorzaak. Hij stelt immers de vraag niet of het klassieke businessmodel nog wel het juiste is.

Het klassieke model
In het huidige, klassieke model ontwikkelen en patenteren farmaceutische bedrijven nieuwe molecules. Bedrijven voeren en financieren autonoom het hele onderzoek, met het oog op de registratie en de terugbetaling. De prijs per verpakking is bij dat laatste een cruciaal element; het volume zal vervolgens de uitgaven bepalen. Logischerwijze vecht elk bedrijf voor de hoogst mogelijke prijs en moet de marketing vervolgens trachten het volume te maximaliseren. De betalers en de overheid geven weerwerk door druk te zetten op de prijs en – steeds meer – het voorschrijfvolume te beperken. Maar hoe dan ook zijn in het huidige model de prijs en het volume van cruciaal belang. Zonder hen dreigt de ‘motor van de vernieuwing stil te vallen’.

R&D en marketing zijn in het huidige model onlosmakelijk aan elkaar verbonden, omdat farmabedrijven a priori nog monolithisch gestructureerd zijn. In hetzelfde bedrijf zijn R&D, productie en marketing economisch onlosmakelijk met elkaar verbonden. Dat is meteen de fundamentele reden waarom het fout loopt in de sector. En dat zal zeker niet verbeteren, nu de motor van de vernieuwing steeds meer begint te sputteren en de druk op de gezondheidsbudgetten steeds groter wordt.

Zijn er alternatieven?

Trek de belangen uit elkaar
In de IFB Managementcursus brainstormen we (intussen al twintig jaar!) over andere, vernieuwende businessmodellen.
Een eerste denkpiste bestaat erin de drie basisfuncties van een farma bedrijf radicaal van elkaar los te koppelen:

  • R&D maakt dan alleen nieuwe behandelingen klaar voor gebruik (en wordt uitsluitend daarop beoordeeld en daarvoor betaald).
  • Productie- en distributiebedrijven specialiseren zich uitsluitend in kostenefficiënte, just-in-time logistiek (en doen ook niet meer dan dat).
  • Marketing kan tenslotte heel andere vormen aannemen, zoals de ontwikkeling van transversale modellen, waarin meerdere alternatieve behandelingen vergelijkend en naast elkaar kunnen worden gepromoot.

Door de financiële belangen niet langer aan elkaar te koppelen, kan elk van de drie functies op eigen ‘merite’ draaien. Daardoor kan je de perverse effecten, die Goldacre beschrijft, meteen vermijden.
Uiteraard moet je voor het beoordelen van dit soort vernieuwende businessmodellen mentaal alle traditionele regels en reglementering over onderzoek, brevetten, vermarkten en promotie even durven loslaten.

In Bad Pharma spendeert Goldacre m.i. veel te weinig aandacht aan de fundamentele zwaktes van het huidige businessmodel, waardoor de voorgestelde oplossingen vaak pleisters lijken op een houten been.

‘Real life’ gegevens transparant delen

Een tweede denkpiste is het ‘Live Licencing’ model dat PWC enkele jaren geleden voorstelde en dat inmiddels al enkele malen met succes werd gebruikt. Daarbij start de commercialisering van een product al snel na fase II van het onderzoek (in feite van zodra er een ernstig ‘proof of concept’ bestaat), maar wel in een radicaal getransformeerd businessmodel. Want bij Live Licencing is het niet langer het farmaceutisch bedrijf dat autonoom instaat voor het onderzoek. In nauwe samenwerking met de autoriteiten van registratie en terugbetaling (alsook met alle betrokken zorgverstrekkers en patiënten!) start men met het gebruik van het product voor zeer beperkte indicatie, bij een beperkte populatie en aan een lage prijs. Alle ‘real life’ gegevens die bij dit prille gebruik worden gegenereerd, worden tussen alle betrokkenen transparant gedeeld en (gezamenlijk) beoordeeld. Naarmate het product zijn deugdelijkheid bewijst, kan de prijs stijgen, de indicaties verbreden en de populaties vergroten.

In een dergelijk model zit een stuk ‘risk sharing’ ingebakken. De investeringen en de tijd voor de ontwikkeling van een nieuwe behandeling worden drastisch verlaagd, waardoor de uiteindelijke prijs en het volume ook een pak lager uitkomen, echter met nog steeds een zeer positieve ROI.

In Bad Pharma denkt Goldacre heel even in de richting van ‘Bigger, simpler trials’, naar hij diept m.i. de denkpiste onvoldoende uit.

Zet de patiënt en zijn therapeutisch resultaat opnieuw centraal
Er zijn nog vele andere modellen denkbaar, zoals ‘medication as a service’ of zelfs ‘health as a service’, waarbij het geneesmiddel ‘slechts’ een ondersteunende rol krijgt in een nieuw businessmodel, waarbij de complete behandeling of het therapeutisch resultaat voor de patiënt centraal staan.
Al deze nieuwe modellen hebben drie dingen met elkaar gemeen:

  • ze trekken een aantal belangen, die in het klassieke model verstrengeld zitten, uit elkaar;
  • ze dwingen alle betrokkenen tot meer en intensievere samenwerking;
  • ze focussen zo scherp mogelijk op het meetbaar produceren van gezondheid voor de patiënt, eerder dan op de prijs en het volume van de gebruikte geneesmiddelen.

Goldacre vertrekt in het boek wel van de premisse dat elke patiënt de meest efficiënte behandeling wenst en dat elke arts daar steeds eerlijk mee naar op zoek gaat, maar ergens in de loop van de 448 pagina’s Bad Pharma verliest hij de focus op dit einddoel uit het oog, verblind door de problemen die hij wil aanklagen.

Probleemgericht analyseren, blokkeert soms oplossingsgericht denken. Maar laat dat u niet tegenhouden om het boek met de juiste instelling te lezen.

Dirk BROECKX – 7 november 2012

REAGEER

 

Reactie van Leo Neels: zie verder
 

Bad Farma – How drug companies mislead doctors and harm patients
© 2012 – Ben Goldarce
ISBN 978-0-00-735074-2

Goldarcre's Good Ideas

Bad Pharma reikt hoe dan ook een reeks ideeën aan die de moeite lonen om even bij stil te staan. Mijn persoonlijke top 10:

  1. Beroepsorganisatie kunnen een belangrijke rol spelen om ontbrekende resultaten van onderzoeken en andere data boven water te halen. De Faculty of Pharmaceutical Medicine is volgens Goldacre de enige in de UK dit dit systematisch doet. (Pag 44).
  2. Samenwerkingsverbanden van grote aantallen artsen kunnen uitstekend wetenschappelijk onderzoek verrichten door hun resultaten te poolen. Goldacre verwijst naar een voorbeeld, gepubliceerd in The Lancet in november 2011, met 700 auteurs (die hij ook vermeldt) (Pag. 96).
  3. Een drug facts box is een veel efficiënter middel dan de klassieke bijsluiter om de essentiële informatie over een geneesmiddel snel en leesbaar aan te reiken. Goldacre toont het voorbeeld van Lunesta (Pag 166).
  4. Het Duitse agentschap IQWiG is het eerste geweest om 'real life data' van zorgverstrekkers te poolen, met het oog op onafhankelijk vergelijkend onderzoek over de reële toegevoegde waarde van terugbetaalde geneesmiddelen (Pag. 169).
  5. Het BMJ pleitte al tien jaar geleden in een artikel over de toekomst van de geneeskunde om gegevens uit de praktijk te poolen om uitsluitsel te geven over de beste behandelingen in 'real life'. Onderzoek van alle gegevens over alle patiënten met een beroerte in de UK zou kunnen uitwijzen welke behandelingen het beste resultaat gegeven 'over all'. (Pag 224).
  6. Landen waar medicatie geheel of grotendeels wordt terugbetaald, zouden de bevolking volgende 'deal' moeten uitleggen: 'Wij betalen jullie medicatie; in ruil daarvoor is het niet meer dan logisch dat we alle gegevens (anoniem!) gebruiken om uit te zoeken welke behandelingen het beste / kosteneffectief zijn. (Pag 237).
  7. 'Indien ik verantwoordelijk zou zijn voor research budgetten, zou ik één jaarbudget uittrekken om een beter systeem te ontwikkelen om de verspreiding van informatie te optimaliseren'. (Pag 244).
  8. Indien farmaceutische bedrijven echt iets zouden willen doen aan betere informatie voor patiënten, zouden ze hun geld beter in een centraal, onafhankelijk fonds stoppen dat budgetten zou verstrekken aan mensen en organisaties met een goede 'track record' om evidence-based informatie te verspreiden. (Pag 271)
  9. Goldacre gelooft niet in zelfdiscipline als oplossing voor 'goede marketing praktijken', omdat de eerlijke, correct werkende bedrijven altijd het slachtoffer blijven van diegenen die 'binnendoor rijden'. (Pag 349).
  10. Samenwerken is de regel in de toekomst. Daar is een goed geregeld kader voor nodig en een maatschappelijk relevante agenda: identification of undiagnosed patients, reviewing uncontrolled patients, impoving patient adherence to medicines and treatment pathway design. (Pag 355).
(Alle pagina nummers verwijzen naar de editie met '448 pages' op de cover. Er circuleert immers ook een editie met 364 pagina's). TERUG NAAR BOVEN

 

© De Standaard op 20 oktober 2012

Slecht getest op mensen

Met een snoeiharde aanklacht tegen de farmaceutische industrie doet de Britse arts BenGoldacre behoorlijk wat stof opwaaien. Veel van de pillen die wij massaal slikken, werken niet of maken het alleen maar erger. ‘Als patiënten ooit begrijpen wat hen is aangedaan, zullen ze boos zijn.'
‘De geneeskunde is defect.' In die genadeloze openingszin vat de Britse arts Ben Goldacre de boodschap van zijn nieuwe boek Bad pharma perfect samen. Om er meteen aan toe te voegen: ‘Ik geloof oprecht dat als patiënten en het publiek ooit volledig zullen begrijpen wat hen is aangedaan – wat dokters, academici en regulatoren hebben toegelaten – dat ze dan boos zullen zijn.'
En hij heeft gelijk, toch wat die boosheid betreft. Er wordt wel vaker op de farmaceutische industrie geschoten, maar de aanklacht van Goldacre is rijkelijk gestoffeerd met feiten en cijfers. Voor wie er zich even in verdiept, zal een bezoek aan de dokter nooit meer hetzelfde zijn.
In zijn hoedanigheid van patiënt gaat een mens er graag vanuit dat de meeste artsen weten wat ze doen. En dat de meeste medicatie werkt. Helaas is dat niet altijd het geval, beweert Goldacre. Het probleem begint bij de klinische proeven die farmabedrijven doen om nieuwe geneesmiddelen te testen. Als er pakweg tien proeven worden gedaan, waarvan twee met een positief resultaat, dan worden alleen die twee gepubliceerd – de andere acht worden verzwegen of weggemoffeld.
‘En dat vertekende bewijsmateriaal wordt dan nog eens op een vertekende manier gecommuniceerd en toegepast', schrijft Goldacre. ‘Dokters horen wat werkt via vertegenwoordigers van de industrie, via collega's of via wetenschappelijke tijdschriften. Maar die collega's worden misschien betaald door de industrie, en voor de tijdschriften geldt hetzelfde.'
Met alle gevolgen van dien. Goldacre vertelt hoe hij een patiënt ooit Reboxetine voorschreef, een relatief recent antidepressivum. ‘Andere medicijnen hadden niet geholpen en we wilden iets nieuws proberen.' Tot hij erachter kwam dat van de zeven klinische proeven er maar één een positief was geweest. En dat Reboxetine meer neveneffecten had dan andere middelen. Hij was er zelf niet goed van: ‘Het werkt niet beter dan een suikerpilletje en doet meer kwaad dan goed. Als een dokter had ik iets gedaan wat, na alle evidentie te hebben afgewogen, mijn patiënt schade toebracht.'
Een samenzwering? Nee, natuurlijk niet. Maar het systeem zit verkeerd in elkaar. Goldacre geeft toe dat de industrie ook veel goeds doet, dat er niet alleen slechteriken rondlopen. ‘Maar in een systeem dat slecht ontworpen is, kunnen goede mensen groot kwaad doen geschieden zonder het te willen.'

Emmers pillen

‘Wat Goldacre beschrijft, zijn bekende fenomenen', bevestigt oud-politicus Patrik Vankrunkelsven, die nog altijd als huisarts werkt en daarnaast ook verbonden is aan het Academisch Centrum voor Huisartsengeneeskunde van de KULeuven. ‘Doordat bij klinische proeven alleen de positieve resultaten worden gepubliceerd, krijg je een totaal verwrongen beeld van de werkelijkheid. Maar het grootste probleem van de sector vandaag is volgens mij nog altijd de sprong naar de markt: geneesmiddelen die worden getest op een heel specifieke doelgroep, worden uiteindelijk verkocht aan een zo breed mogelijk publiek. Zo kan het inderdaad gebeuren dat iemand meer nadeel dan voordeel ondervindt van een bepaald geneesmiddel.'
Goldacre heeft het in Bad pharma onder meer gemunt op de cholesterolverlagende statines. Het finale doel van die middelen is: het risico op dood door hartaanval verkleinen. Maar volgens Goldacre weet niemand of ze dat ook echt doen. ‘Er is al een helse mediaoorlog gevoerd over die statines', zegt Vankrunkelsven. ‘Je kunt niet zeggen dat ze niets doen. Maar men weet niet precies welk effect ze op de lange termijn hebben. Aanvankelijk was ik een matige believer, maar vandaag gebruik ik ze courant. Al stel ik mij toch vragen bij de steeds hogere dosissen die worden aangeraden.'
Idem dito voor alle antidepressiva van de prozacgeneratie. Goldacre is niet de eerste die met zoveel woorden schrijft dat ze bij matige of lichte depressie niet beter werken dan een placebo. ‘Iedereen weet dat die pillen nu met emmers tegelijk worden voorgeschreven', zegt Vankrunkelsven. ‘Ik doe dat niet. Ik gebruik nog altijd vooral de oude generatie antidepressiva. Dat is mijn belangrijkste advies aan collega-artsen: ga niet te snel mee met alle innovaties, kijk eerst even de kat uit de boom en wacht tot je zeker bent dat het nieuwe middel beter is dan het oude.'
Vaak is dat laatste niet het geval, weet Goldacre. Nieuwe geneesmiddelen worden tijdens proeven meestal vergeleken met een placebo, niet met het beste werkzame middel dat al op de markt is. Mede daarom vindt ook Goldacre dat dokters beter de kat even uit de boom kijken. ‘De wereld zou een betere plek zijn mochten artsen minder snel enthousiast zijn over nieuwe medicatie.'

Geen absoluut negativisme

‘Over de effectiviteit van antidepressiva is de wetenschappelijke wereld inderdaad verdeeld', zegt Leo Neels, algemeen directeur van pharma.be, de vereniging van farmabedrijven met een vestiging in ons land. ‘Iedereen maakt zich zorgen over de grote volumes die vandaag in België worden voorgeschreven. Maar het is evengoed een feit dat zware depressies nog altijd veeleer onderbehandeld blijven. Dat is ook een probleem.'
Neels kent Goldacre. ‘Ik heb veel respect voor de man', zegt hij. ‘Met Wetenschap of kwakzalverij? heeft hij een prachtig boek geschreven over wetenschapsjournalistiek en kwakzalverij. Hij is zeker niet de eerste de beste. En wat hij vertelt, is absoluut gebaseerd op historisch feitenmateriaal. Alleen: de periode waar hij het over heeft, ligt al een aantal jaren achter ons.'
Het offensief tegen de farmareuzen is gekristalliseerd in 2004, vertelt Neels. ‘Toen verscheen De waarheid over de farmaceutische industrie van Marcia Angell, oud-hoofdredactrice van de New England Journal of Medicine. Zij was een klokkenluidster die goed geplaatst was om een aantal misbruiken aan de kaak te stellen. En haar boek is heel hard aangekomen. De farmaceutische industrie heeft sindsdien afstand genomen van praktijken die inderdaad onaanvaardbaar waren.'
Bad pharma is dus gedateerd, zegt Neels. ‘Al die verhalen blijven een eigen leven leiden. Het is nu eenmaal bijzonder lucratief om zulke schandaalboeken te schrijven. Maar die plaat is ondertussen wel grijsgedraaid. Ik zeg niet dat er nooit meer iets fout gaat. Vergelijk het misschien met de journalistiek: af en toe slaat een van uw achtbare collega's de bal volledig mis. Maar we mogen alle gewetensvolle en plichtsbewuste journalisten toch niet over dezelfde kam scheren.'
‘Ik vind het ook gevaarlijk om in absoluut negativisme te vervallen', zegt Patrik Vankrunkelsven. ‘Als huisarts ben ik blij dat ik vandaag producten ter beschikking heb die twintig of dertig jaar geleden niet bestonden. Veel geneesmiddelen hebben een duidelijke meerwaarde.'

De band doorknippen

‘En toch heeft Goldacre gelijk', zegt Dirk Van Duppen, huisarts bij Geneeskunde voor het Volk en auteur van De cholesteroloorlog. ‘Wat hij schrijft over achterhouden en beïnvloeden van resultaten, bijvoorbeeld, valt zeer overtuigend te bewijzen. Een bekend voorbeeld is het antidepressivum Seroxat: de resultaten van proeven waaruit bleek dat adolescenten er zelfmoordgedachten van kregen, werden niet gepubliceerd. Of neem de beruchte pijnstiller Vioxx, waarvan we ondertussen weten dat het je risico op een hartaanval enorm verhoogt. Je kunt statistisch berekenen dat daardoor in ons land alleen driehonderd doden moeten zijn gevallen.'
Goldacre pleit in Bad pharma voor een soort waarheidscommissie, een grote zuiveringsoperatie waarbij de farmaceutische industrie schoon schip maakt met het verleden door alle fouten openlijk toe te geven. ‘Een goed plan', vind Van Duppen. ‘Maar het zou al een goed begin zijn mochten alle klinische proeven worden uitgevoerd door universiteiten, of alleszins door een instantie die volledig onafhankelijk is van de industrie. Die band moet worden doorgeknipt.'
Volgens Leo Neels berust dat plan op een verkeerd uitgangpunt. ‘Wie die band volledig wil doorknippen, denkt kennelijk dat farmabedrijven de wereld van het kwaad zijn, en dat de wereld daarbuiten puur en onbespoten is. Ik vind dat wij tegen kritiek moeten kunnen, maar het mag niet uitmonden in complotdenken. U moet er ook rekening mee houden dat de ontwikkeling van een nieuw geneesmiddel miljarden dollar kan kosten. Dan is het nogal logisch dat bedrijven niet staan te springen om al hun gegevens openbaar te maken. Er moet een goed evenwicht worden gezocht tussen vertrouwelijkheid en transparantie.'
Frank Hulstaert werkte jarenlang voor farmabedrijven en is nu als senior arts expert verbonden aan het Federaal Centrum voor de Gezondheidszorg. ‘Er is wel degelijk beterschap', zegt hij. ‘Er bestaat vandaag een Europees register waarin alle proeven worden genoteerd. En dat kan door iedereen worden geraadpleegd. Het verstoppen van gegevens is dus niet meer mogelijk. Perfect is dat nog niet, omdat je als arts zelf niet geneigd zult zijn om op zoek te gaan naar die informatie. Maar het is een positieve evolutie. Er is meer transparantie.'
Bij het idee om alle proeven te laten uitvoeren door volstrekt onafhankelijke bedrijven, heeft Hulstaert zijn twijfels. ‘Het is een idee waarover veel mensen in de farmaceutische industrie zeker willen nadenken. Maar eenvoudig zal het niet zijn. Het probleem is dat proeven in de academische wereld dikwijls vertraging oplopen, omdat er geen commerciële druk op zit. Dat heeft voordelen, maar voor een privébedrijf dat zijn investering wil terugverdienen is dat een serieus nadeel. Er moet een evenwicht worden gevonden tussen onafhankelijkheid en efficiëntie.'
Overigens bestaat er in de gezondheidszorg een ander, veel groter probleem, zegt Frank Hulstaert.
‘De sector van de geneesmiddelen zit op de goede weg. Maar de sector van de medische devices, zoals pacemakers, hartkleppen en heupimplantaten – daar is het probleem vele keren groter en is er nog meer werk aan de winkel.'
TERUG NAAR BOVEN

BAD JOURNALISM


Een antwoord op “Slecht getest op Mensen” (DS 20 okt.) en “Onze pillen zijn ziek” (DS 27 okt.)
door Leo NEELS, Algemeen Directeur pharma.be


Deze krant besteedde 2 volle pagina’s (Joël De Ceulaer,DS 20 oktober) aan het engelstalig boek BAD PHARMA van Ben Goldacre, arts en wetenschapsredacteur bij THE GUARDIAN, onder de titel “Slecht getest op mensen. Britse arts beweert dat veel pillen niet werken”, en Ruben Mersch herhaalde (DS 27 oktober, “Onze pillen zijn ziek”) dunnetjes de boodschap. De Ceulaer en Mersch nemen kritiekloos de stelling van Goldacre aan voor waar, en falen in hun opdracht om àlle informatie kritisch te bejegenen. Terwijl De Ceulaer minstens een reactie namens pharma.be inwon, vergenoegt Mersch zich met een persoonlijke aanval omwille van één van mijn reacties. Mijn aanbod aan DS om een opiniebijdrage te mogen leveren, nog geformuleerd voor de publicatie van het stuk van Mersch, is onbeantwoord.

Goldacre publiceerde in 2008 zijn bestseller Bad Science. Zijn centrale stelling vertrok toen bij de vaststelling dat de media makkelijk in de val trappen van kwakzalverij, die ze kritiekloos aan het grote publiek aanpraten, over een kritische analyse van veel nonsens van voedselsupplementen en sommige aspecten van de farmasector, naar wat hij noemde de tragedie van wetenschapsjournalistiek. Journalisten, aldus Goldacre, bevorderen een verkeerd begrip van wetenschap, blinken uit door hun belangstelling voor nutteloze “non-stories”, en verstaan de wetmatigheden van statistiek en wetenschappelijk bewijs niet. Terwijl we dus juist wetenschap beoefenen om zulke nadelen te overstijgen, laten we ons misleiden door onze vooroordelen. De mediamisvorming van wetenschappelijk bewijs in de gezondheidssector is gevaarlijk en grotesk. Die aanklacht op miskenning van wetenschap en dubieuze wetenschapsjournalistiek leverde Goldacre een bestseller op.

Zijn “me too”-boek riskeert een nieuwe bestseller te worden: de titel Bad Pharma (2012) toont aan dat Goldacre de wetmatigheden van marketing goed begrijpt, hij ontsnapt echter niet aan de valkuil die hij zelf zo treffend had geanalyseerd in Bad Science.
Goldacre voert aan (Intro, p. xi) dat klinische studies van geneesmiddelen vervalst worden door de farmabedrijven (die zulke studies organiseren), uitgevoerd worden met te kleine groepen van atypische patiënten, gemanipuleerd worden inzake de gepubliceerde data, teneinde een beter beeld te creëren van het nieuw geneesmiddel dan het verdient. Dé schuldige zijn de farmabedrijven, omdat volksgezondheidsautoriteiten, universiteiten, researchers, academici, wetenschappelijke verenigingen, artsen, patiëntenorganisaties, en uitgevers van wetenschappelijke tijdschriften niet opgewassen zijn tegen de misbruiken van van farmaceutische bedrijven. Een pure complottheorie (Goldacre, p. 255, waarschuwt nochtans tegen conspiratief denken, sic): iedereen is corrupt, alleen Goldacre is puur, en, dus, inviteert hij nu whistleblowers om hun interessante verhalen aan hem te bezorgen (p. 363). Een slim en lucratief business model, vermits de anti-big-pharma-lobby inderdaad beide kenmerken verenigt.

Jammer dat Goldacre er nu blijk van geeft meer een handige marketeer te zijn dan een kritisch redacteur. Hij herhaalde weliswaar dat journalisten al te vaak en routinematig feiten verkeerd voorstellen, deels door een gebrek aan kennis en ook omdat ze zich graag profileren als kruisvaarders (p. 255). Maar zijn aanklacht is gekenmerkt door selectieve rapportage en beantwoordt niet aan de criteria die hij aan anderen wil opleggen. Bij wijze van voorbeeld, hierna drie elementen.


1.

Vandaag wordt het opzet van klinische studies bepaald door FDA en EMA, in overleg met het farmabedrijf dat de studie betaalt. Die autoriteiten bepalen de eindpunten en de methodiek, en hun eisen zijn streng. Grote farmaceutische bedrijven publiceren de start van hun klinische studies op daarvoor gecreëerde websites, zoals
deze van IFPMA en volgens richtlijnen van de WHO (Minimum Trial Registration Data Set, May 2006).

Transparantie is een uiterst belangrijke norm, doch iedereen is het erover eens dat de publicatie van data kan worden beperkt door elementen zoals intellectuele eigendom of privacybescherming. Immers, het farmabedrijf is met zijn klinische studies in een proces van private financiering van de ontwikkeling van een potentieel geneesmiddel, en alle bevoegde autoriteiten achten het rechtmatig dat een bedrijf zijn investering beschermt. Daarom kùnnen niet altijd àlle beschikbare data gepubliceerd worden, daarover is eenieder het eens. Die nuance komt Goldacre niet goed uit, en dus verzwijgt hij die – waarmee hij zich een perfect exponent toont van wat hij in Bad Science nog aan journalisten verweet.

2.
Goldacre toont zich een kritiekloos aanhanger van een zgn. nieuwe wetenschap, research die erin bestaat om researchpublicaties te herlezen (zgn. meta-analyses), en de geaggregeerde resultaten over een langere periode retro-actief te herinterpreteren. Zulk model kan methodologisch twijfelachtig zijn, omdat oudere resultaten worden herlezen met later verworven inzicht, en het miskent juist één van de meest fundamentele wetenschappelijke wetmatigheden, nl. de wet van het voortschrijdend inzicht. Toch wordt, inzake geneesmiddelen, dié methodiek ruim aangehangen, en, dan nog, meestal met een door overheden geïnspireerde bijgedachte van kostenbesparing.

Veel van de anti-big-pharma-library, zoniet alles, rust op kostkritiek. Immers, het is voor overheden moeilijker om aan patiënten voor te houden dat er een nieuw en deugdelijk geneesmiddel is dat toch niet zal worden terugbetaald, dan om twijfel te zaaien over de deugdelijkheid en de kosteneffectiviteit van het nieuwe middel. Het laatste is altijd gemakkelijk, en voor overheden de verkozen optie, het eerste vergt een moed die autoriteiten niet hebben. Dan maar investeren in modellen die van een nieuw geneesmiddel, na complexe klinische studies en investeringen tussen 1 en 5 miA US$, direct een bewijslast vergen die enkel bij langdurig klinisch gebruik bij grote groepen van patiënten kan worden vergaard. In dié kramp zijn de ziekteverzekeringsautoriteiten vandaag gevangen. Dat is ruim beschreven (bvb. C. M. Christensen, The Innovator’s Prescription, 2009; Richard Barker, 2030. The Future of Medicine, Avoiding a Medical Meltdown, 2011). Maar dat debat wordt door journalisten niet gevoerd, niet door Goldacre, en niet door DS.

3.
Tenslotte ondergaan geneesmiddelen vandaag, altijd, een herexamen, bij
terugbetalingsbeslissingen. De autoriteiten die die beslissingen nemen vergen vaak van de farmabedrijven zgn. risk sharing, die er vaak op neerkomt dat bedrijven het risico moeten dragen indien hun geneesmiddel bij sommige groepen van patiënten niet zo adequaat zou werken als verhoopt, of dat bedrijven terugbetalen indien meer patiënten baat blijken te hebben bij het geneesmiddel dan verwacht. Daarmee verminderen autoriteiten hun deel van de verantwoordelijkheid bij de beoordeling van de terugbetaalbaarheid, doch ze verhogen het aandeel van de aansprakelijkheid van de innoverende en investerende farmaceutische bedrijven.

Ook dit element past niet in het kraam van Goldacre, en dus verzwijgt hij het. Hij houdt het erbij dat men makkelijk voor 137 mio £, of zelfs voor 55 mio £ (merk hoe wetenschappelijk zijn uiteenzetting is!) een geneesmiddel kan ontwikkelen. Als daar ook maar énige grond van waarheid zou inzitten, dan schoten de innoverende farmabedrijven toch uit de grond, niet?


Aan De Ceulaer had ik gesuggereerd om met enkele hoogleraren en de wetenschapsredactie van zijn krant te spreken over research en over de waarde van innovatieve geneesmiddelen, of met patiëntenverenigingen. Tevergeefs, wellicht paste deze nuance niet in een voorstelling van een boek met de titel Bad Pharma; daarmee schreef De Ceulaer zich in in de door Goldacre eerder over de hekel gehaalde traditie van Bad Science, nl. de traditie van mediocre journalistiek over wetenschappelijke onderwerpen. Goldacre maakte een karikatuur en lokale journalisten nemen die kritiekloos over. Het is goede marketing, doch povere journalistiek. Wat de columnist Mersch betreft, die verheft het genre van Bad Science pas echt tot kunst. Hij kiest de weg van de persoonlijke aanval, op basis van één selectief citaat van ondergetekende, en hij gebruikt zijn column in DS als marketing voor zijn boek “Oogklepdenken. Waarom we allemaal kloten zijn”, dat net is aangekondigd.

Verwacht het onverwachte, zo luidt de nieuwe slogan van DS. Maar dit soort journalistiek is eerder verwacht, immers, Goldacre had zulke mediocriteit in zijn eerste boek Bad Science aangekondigd.

Leo NEELS
Algemeen directeur pharma.be
28 okt. 2012

TERUG NAAR BOVEN

© De Standaard – 31 oktober 2012

Kruisvaardersjournalistiek – Tom Naegels (Ombudsman)

De reportage over het boek ‘Bad Pharma’, dat straffe zaken over de farma-industrie beweert, was nogal hij zegt/zij zegt. Als een boek pas verschenen is, is dat het beste wat je kan doen, vindt TOM NAEGELS .
In Groot-Brittannië woedt momenteel een debat over het boek Bad Pharma , van arts en wetenschapsjournalist Ben Goldacre, auteur van de populaire column ‘Bad Science’ in The Guardian . In die klepper van meer dan vierhonderd pagina’s wordt de stelling verdedigd dat de farma-industrie dokters, toezichthouders en patiënten misleidt over de werkzaamheid van nieuwe medicijnen.
De kritiek op het boek komt van de farmaceutische industrie zelf, wat ze partijdig maakt maar niet noodzakelijk onterecht. En ik vertel u dit omdat het Britse debat, in bescheiden vorm, naar mijn mailbox is overgewaaid. Leo Neels, professor mediarecht, mediacriticus op Knack.be en algemeen directeur van Pharma.be, protesteerde tegen de reportage ‘Slecht getest op mensen’ (20 oktober) en de column ‘Onze pillen zijn ziek’ van Ruben Mersch (27 oktober). De eerste besprak Goldacres stellingen met vier experts, onder wie Leo Neels zelf, de tweede bekritiseerde een van de uitspraken van Neels uit die eerdere reportage en onderschreef de stellingen van Goldacre. (Ruben Mersch heeft voor Johnson & Johnson gewerkt.)
‘ Bad Pharma is het zoveelste boek uit de lucratieve anti-big-pharma-bibliotheek’, zegt Neels me. ‘Het zijn de kookboeken van de medische sector. Ze schrijven alle hetzelfde: de klinische tests zouden niet koosjer uitgevoerd worden, dus eigenlijk werken medicijnen niet, en in het slechtste geval ga je ervan dood. Komaan: het ontwikkelen van een medicijn kost tien jaar, en rond het miljard dollar. De bedrijven zijn permanent in overleg met het European Medicines Agency en de Food and Drug Administration. Als die hun goedkeuring niet geven, dan kun je je investering op je buik schrijven. Bovendien is er nog een tweede examen: als de overheid beslist of een medicijn zal worden terugbetaald of niet. En dan komt Goldacre en zegt: al die controlemechanismen werken niet, al die wetenschappers zijn snullen, alleen ik doorzie het systeem. Sorry, maar aan zo’n kruisvaarderjournalistiek heb ik een hekel. En ja, ik had gehoopt dat De Standaard daar ernstiger mee zou omgaan. Ga praten met farmacologen. Praat met je eigen wetenschapsredactie. Ga eens diep. Maar nee: jullie bellen de usual suspects: mij, de eeuwige Jan Van Duppen en Patrik Vankrunkelsven, die geen kennis heeft over klinische studies. Wel, dan zeg ik: dit is goede marketing, maar povere journalistiek.’
Joël De Ceulaer, auteur van het stuk, hoort het verbaasd aan. ‘Leo Neels schrijft vaak zinnige dingen over media op zijn blog, maar hier heeft hij een pijnlijke blinde vlek. Logisch misschien, omdat hij betrokken partij is. De redactie wetenschap heeft mee gebrainstormd over dit artikel. Ze waren het met me eens dat dit een belangrijk boek was, en ze hebben gesuggereerd om Van Duppen, Vankrunkelsven en Frank Hulstaert te contacteren. Vankrunkelsven werkt als huisarts, is verbonden aan de opleiding huisartsengeneeskunde aan de KU Leuven, en is politicus geweest. Frank Hulstaert heeft jarenlang voor farmabedrijven gewerkt en is nu verbonden aan het Federaal Centrum voor de Gezondheidszorg. Dat is een van die farmacologen van wie Neels vindt dat ik ze had moeten spreken. Eerlijk: ik begrijp niet waar hij het over heeft. Dit doet me denken aan de methodes van Scientology: bij ieder kritisch stuk protesteren en iedereen aanschrijven, tot de hoofdredacteur en de ombudsman toe, zodat de journalist zou denken: daar blijf ik beter af.’
Ik denk zelf dat Neels de reportage onjuist negatief leest. Zowel Hulstaert, Neels zelf, als zelfs Patrik Vankrunkelsven relativeren Bad Pharma . Vankrunkelsven zegt dat hij zelf cholesterolverlagende statines voorschrijft, een van Goldacres doelwitten, zij het met mate, en hij waarschuwt ervoor ‘om in negativisme te vervallen. Veel geneesmiddelen hebben een duidelijke meerwaarde.’ De uitsmijter is voor Hulstaert, die zegt: ‘De sector van de geneesmiddelen zit op de goede weg.’ De reportage was daardoor nogal hij zegt/zij zegt: er is een nieuw boek verschenen dat straffe zaken zegt, en de ene is het ermee eens, de andere spreekt ze tegen.
Als een boek pas verschenen is, is dat het beste wat je kan doen. Maar het gaat over onze gezondheid, dus wil ik ook wel ten gronde weten wat ervan aan is. Ik heb Bad Pharma ondertussen ook gelezen en het doet me wat denken aan de vele boeken die de journalistiek failliet verklaren: ook die dragen daar tonnen van bewijsmateriaal voor aan, ook daar denk je als insider: ‘ Bof , het had geholpen als je minder apocalyptisch was geweest.’ Maar net als die boeken kun je dit niet zomaar terzijde schuiven – zelfs als we niet op een apocalyps afstevenen, kunnen er nog altijd zaken misgaan. Dat er enkel in het verleden testresultaten zouden zijn achtergehouden, weerlegt Goldacre. Dat fabrikant Roche op zijn minst over Tamiflu geen informatie vrijgeeft, wordt overtuigend (en hilarisch) aangetoond.
Onderzoeksjournalistiek neemt de twijfel niet weg; ze brengt die op een hoger niveau. Zelfs al schrijft een onderzoeksjournalist een heel boek om aan te tonen dat al wat we geloofden gelogen is, dan nog is de eerste reactie: ‘Geloof hem niet, hij liegt’. Dus is er opvolging nodig om opnieuw de waarheid van de leugen te scheiden, om nuances aan te brengen. Ook om intern de informatie te integreren: De Standaard schrijft vaak over nieuwe geneesmiddelen. Er is geen enkele reden waarom dit debat tot Groot-Brittannië beperkt zou blijven. Hun griep is niet anders dan de onze.
TERUG NAAR BOVEN
 

 

 

 

 


‹‹‹Back






Copyright © 2019 Dirk Broeckx – All rights reserved.
Privacy beleid | Sitemap
webdevelopment Siteffect